Tussen juichen en zwijgen - De stille week - 22 maart 2016

Ds. Pieter Roggeband overdenkt de dagen tussen Palmpasen en de opstanding. Lees hier meer!


De stille week

De klassieke evangelielezing waarmee op Palmzondag – of Palmpasen – de stille week wordt ingeluid is het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem. De stille week begint dus eigenlijk helemaal niet zo stil maar met een luidkeels ‘Hosanna’. ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer’, klinkt het uit vele kelen wanneer Jezus, als ware hij een koning, Jeruzalem op een ezel binnenrijdt. Het duurt even voordat het werkelijk stil wordt. Voordien weerklinken nog de lofgezangen van Witte Donderdag rondom de Paasmaaltijd die Jezus met zijn volgelingen en vrienden viert. Ook op goede Vrijdag is het geschreeuw aanvankelijk niet van de lucht. Voordat de stille week uitloopt op de dodelijke stilte van Stille Zaterdag, slaat het ‘hosanna’ van Palmzondag om in een even zo luide en opgewonden maar geheel andere kreet: ‘kruisigt hem.’ Stil wordt het pas omstreeks een uur of drie in de middag van Goede Vrijdag, nadat Jezus’ doodskreet aan het kruis heeft weerklonken: ‘Mijn God mijn God waarom hebt ge mij verlaten?’ Ondanks de vertwijfeling die hier doorklinkt herkennen we daarin de aanvang van Psalm 22, een Psalm die in een lofzang eindigt. In zoverre is het niet verbazingwekkend dat Lucas Jezus bij zijn verscheiden andere woorden in de mond legt: ‘Vader in uw handen beveel ik mijn geest’. Johannes laat Jezus’ laatste woorden tenslotte haast als zucht van verlichting klinken: ‘Het is volbracht’.

Hoe het ook zij, als Jezus de geest heeft gegeven wordt het stil. Daarvoor gaat het er echter tamelijk luidruchtig en rumoerig aan toe. Opmerkelijk is en blijft de tegenstelling tussen het ‘hosanna’ en het ‘kruisigt hem’. Wat is er gebeurd dat de jubel van Palmzondag op goede Vrijdag omslaat in een dergelijke haatkreet? Het keerpunt is Jezus’ arrestatie waarmee een eind wordt gemaakt aan de hoop op een radicale omwenteling die Jezus’ intocht als messiaanse koning onder het volk ongetwijfeld heeft gewekt. Wanneer Jezus als raddraaier wordt opgepakt, wenden de mensen zich teleurgesteld van hem af. Ja, als hij als misdadiger is afgevoerd verlangen ze zelfs zijn dood aan het kruis. Weliswaar worden zij daartoe aangezet door de machthebbers die terwille van hun machtspositie met de bezetter, de Romeinen, heulen. Maar dat is geen excuus. Het volk – de massa – laat zich manipuleren. En het is beangstigend en ontmoedigend te moeten constateren dat daar tweeduizend jaar later in feite geen enkele verandering in is gekomen. Nog altijd is de publieke mening gemakkelijk te bespelen en de stemming onder de bevolking eenvoudig te beinvloeden. De vluchtelingen die aanvankelijk met groot enthousiasme werden onthaald maar inmiddels met steeds meer argwaan en haat worden bejegend weten daar van mee te praten.

Wat heeft Jezus bezield om zich provocatief als koning in Jeruzalem te laten onthalen en vervolgens in de tempel orde op zaken te stellen om zo de confrontatie met overheid en geestelijkheid te zoeken? Zou Jezus verwacht hebben dat zijn uitdagende optreden in Jeruzalem tot een volksopstand zou leiden en hij met Gods hulp de Romeinen het land uit zou kunnen jagen? Het verhaal van de intocht in Jeruzalem, uitlopend op de uitdrijving uit de tempel, doet dat vermoeden. De evangelisten bestrijden dat echter wanneer zij Jezus drie lijdensaankondigen in de mond leggen en die in hun verhaal invlechten. Jezus heeft zijn dood al in een vroeg stadium vooruitgezien zeggen ze daarmee. Hij heeft beseft, vermoed, geweten dat zijn messiaanse aspiraties en pretenties, zijn aanspraak op het koningschap over Israel, hem aan het kruis zouden brengen.

Als dat waar is, waarom is Jezus dan toch naar Jeruzalem gegaan? Ondanks het perspectief van een gruwelijke dood aan het kruis heeft Jezus zijn weg klaarblijkelijk als zijn roeping –van Godswege – verstaan. Hij is deze weg gegaan. Niet in blinde gehoorzaamheid maar in het vertrouwen dat niet zijn dood maar God het laatste woord zou hebben. Dat zijn gruwelijke dood, zijn levensweg die geheel en al gericht was op het aanbreken van Gods koninkrijk, niet voortijdig zou beeindigen maar voltooien. Dat zijn dood een onmisbare en onontkoombare schakel op weg naar Gods koninkrijk zou blijken te zijn.

Hier luister het wel heel nauw. Want hoe snel belanden we met zulke uitspraken niet bij een god die Jezus’ dood van tevoren ingecalculeerd, ja sterker nog: koelbloedig en doelbewust tot in alle details gepland zou hebben? Is dat niet moord met voorbedachten rade? Met de beste bedoelingen. Eén mens terwille van alle anderen. Maar dan nog. Dat wil er bij mij niet in. Desondanks zou ik wel graag vast willen houden aan het geloof dat Jezus’ dood niet tevergeefs was maar de wereld en de mensheid ten goede is gekomen. Het geloof dat de zonde op Jezus’ trouw aan en vertrouwen op God – tot in den dood – zijn tanden heeft stuk gebeten en zo zijn macht over ons verloor. Het geloof dat God ons allen de trouw en het vertrouwen van deze ene mens – ten dode toe – aanrekent zodat wij van de schuld die wij in ons eigen handelen, in navolging van Jezus, op ons laden zijn bevrijd. Het geloof dat in Jezus’ dood, die het rechtstreekse gevolg was van een leven dat geheel in het teken stond van Gods koninkrijk, datgene wat de komst daarvan verhindert uit de weg is geruimd.

Dat is het grote geheim van Paaszondag waarmee een nieuwe week, een nieuw tijdperk wordt ingeluid. Op Paaszondag is de stille week ten einde en mogen we het uitjubelen van vreugde: “Halleluja, de Heer is waarlijk opgestaan.”



< HOME